Zo verplaatst de varroamijt zich tussen jouw bijenkasten

Varroamijten reizen regelmatig van de ene kast naar de andere: ze hechten zich aan bijen (zowel werksters als darren) die dienen als vervoerder naar nieuwe koloniën. De meest voorkomende route is via ‘driften’: bijen die bijenkast proberen te vinden, maar net te dicht bij een andere kast uitkomen. Dit natuurlijke gedrag hoeft op zich geen zorgen te geven. Maar zodra een volk besmet is met varroa, kan het probleem zich al snel uitbreiden naar omliggende volken.

De varroamijt voedt zich met hemolymfe van de bijen, waardoor deze energie verliezen en worden verzwakt. Bevangen bijen kunnen vermoeid verdwalen en zo alsnog in een andere kast belanden, waarmee de mijt meereist en daar een nieuw volk besmet. Deze eenvoudige vorm van overdracht, gebruikmakend van natuurlijk gedrag van bijen, draagt bij aan de explosieve verspreiding van de varroamijt.

Zwakte en roofgedrag versterken verspreiding

Maar drift is niet de enige oorzaak. Wanneer een volk verzwakt raakt door varroabesmetting, biedt het een uitnodiging voorandere bijenvolken om te komen roven. Terwijl andere bijen honing stelen, klampen de mijten zich vast aan hun verzwakte slachtoffers. Zo komen zij vervolgens mee terug naar hun volk en introduceren varroa daar.

Daarnaast spelen zwermactiviteit en absconding een rol bij de verspreiding. Bij zwermen nemen de bijen hun gast mee, waardoor de mijten zich kunnen verspreiden naar nieuwe locaties. Daarom geldt: hoe meer mijten er in de omgeving aanwezig zijn, ook buiten jouw eigen kasten, hoe groter het risico dat jouw volken ermee in aanraking komen.

Zelfs imkers kunnen onbedoeld bijdragen aan de verspreiding: het verplaatsen van broedraampjes van de ene kast naar een andere kan varroamijten van de ene kolonie naar de andere verplaatsen.

Seizoenspatronen: vooral in de herfst een groeiende bedreiging

In de loop van het jaar neemt de mijtenpopulatie vaak toe, vooral naarmate de herfst nadert. Dan wordt er minder broed verzorgd (de fase waarin de mijt zich voortplant) waardoor er juist meer mijten in de zogenoemde foretische fase komen, waarbij ze op volwassen bijen gaan zitten. Tegelijk clusteren de bijen dichter bij elkaar omdat het kouder wordt. Die samenklontering maakt het de varroamijt makkelijker om binnen een kast van bij naar bij te bewegen en zich verder te verspreiden. Deze combinatie van factoren leidt tot het jaarlijks terugkerende probleem van een explosieve toename van de besmetting, juist in het najaar.

Van drift naar bestrijding: praktische tips voor imkers

In Nederland en Vlaanderen zoeken imkers naar effectieve manieren om die verspreiding tegen te gaan. Ondersteuning uit onderzoek en imkerpraktijk adviseert verschillende strategieën om drift en roversgedrag te beperken en besmettingen met de varroamijt af te remmen.

Een erkende aanpak is de zogenaamde driegangenmenu behandeling: in de lente de verwijdering van darrenbroed, gevolgd in de nazomer door toepassing van mierenzuur of thymolproducten, en in de winter het druppelen met oxaalzuur als er geen gesloten broed aanwezig is. Daarmee wordt het aantal varroa-mijten aanzienlijk teruggedrongen, mits zorgvuldig toegepast.

Daarnaast wint de inzet van varroaresistente bijen (VSH‑bijen: Varroa Sensitive Hygiene) terrein. Deze bijen herkennen geïnfecteerd broed en ruimen dit actief op, waardoor de mijtpopulatie in het volk laag blijft. Zo’n selectieprogramma, onder andere uitgevoerd door Arista Bee Research in Brabant, toont veelbelovende resultaten en werpt licht op nieuwe biologische bestrijdingsstrategieën.

Ook wordt geëxperimenteerd met kleine cellen, waarbij broedcellen aanzienlijk kleiner zijn dan gebruikelijk. Hierdoor krijgen varroamijten in de larvencel minder ruimte om zich voort te planten, wat de voortplantingssnelheid verlaagt; de effectiviteit van deze methode is nog onderwerp van discussie, maar sommige imkers zien er positieve effecten van in combinatie met selectiegedrag.

Tot slot biedt biologische bestrijding met roofmijten een alternatief. Deze predatoren leven in bijenkasten, verorberen varroamijten en kunnen verspreiden binnen de kast. In combinatie met monitoring en reguliere behandelingen kunnen ze fungeren als extra ondersteuning.

Praktische maatregelen om verspreiding te voorkomen

Met name bij plaatselijke imkerpraktijk blijken volgende ingrepen effectief om non-intentionele overdracht te beperken:

Het schilderen van de kasten in verschillende kleuren helpt bijen visueel te onderscheiden; zo worden zij minder snel afgeleid of aangetrokken tot een verkeerd nest. Ook de fysieke afstand tussen kasten (minimaal één tot twee meter) kan drift verminderen. In kleinere bijentuinen is slim verspreiden belangrijk: voorkom rechte rijen kasten en laat kasten in verschillende richtingen naar buiten gericht zijn. Oriëntatiehulpmiddelen zoals rotsen, takken of andere visuele markeringen ondersteunen de bijen bij hun vliegroute en verminderen het risico op verdwalen.

Roven combineren met andere volken kan worden tegengegaan door het toepassen van zogenaamde roving screens – rovenwing-schermen die voorkomen dat rovers en dwalende bijen zomaar naar binnen kunnen. Ten slotte blijft monitoring onmisbaar: tel regelmatig varroamijten via schud- of suikerpoedertesten, vergelijk met grenswaarden en behandel tijdig wanneer de drempel wordt overschreden. Een besmettingsgraad in september van minder dan circa 3 % is gewenst, tot ongeveer 5 % kan acceptabel zijn; bij waarden boven dat niveau is behandeling aanbevolen.

Scroll naar boven